Damiaan Renkens | Vormgever

Van rommelkamer tot aannemersterrein

Damiaan Renkens (1960) werkte als zelfstandig vormgever onder meer voor literair tijdschrift Parmentier (opgeheven in 2013), Uitgeverij IJzer in Utrecht en AFdH Uitgevers in Enschede. Damiaan is gespecialiseerd in boekvormgeving. Hij ontwerpt niet alleen boekomslagen en binnenwerken, maar ondersteunt en ontwikkelt ook promotionele activiteiten, zoals aanbiedingsbrochures, advertentiecampagnes en booktrailers. Zo nu en dan waagt hij zich aan huisstijlen en websites. Damiaan is een liefhebber van het werk van Daniil Charms en John Coltrane. De overeenkomsten tussen jazz en illustreren vindt hij verbazingwekkend. Als vormgever van boeken ziet hij zichzelf als uitdrager van het bijzondere en echte boek. Wat hip is, is volgens hem per definitie gedateerd. Wat goed is, niet. Meer weten over zijn werk? Check zijn site.

‘Sinds het faillissement van mijn vorige werkgever zit ik fulltime op mijn thuiswerkplek. Dat is sinds september 2019. Daarvoor zat ik hier een a twee dagen in de week en de weekenden. Het is een kamer op de eerste etage van een rijtjeswoning. Ietwat aan de krappe kant, maar ik vind het prima. Het nadeel van een klein plekje thuis is dat je niet goed klanten kunt ontvangen. Aan de keukentafel is niet echt representatief. Meestal spreek ik ergens af, in een lunchroom bijvoorbeeld. Het voordeel daarvan is dat je er even uitkomt.

Mijn kamer is rommelig, maar dat is ook wel prettig. Ik haat opgeruimde werkplekken met alleen een monitor en een wit velletje papier, waar alles naar schoonmaakmiddel ruikt. Mijn werkplek bestaat uit een groot Ikea-bureau met daarop een monitor, scanner, printer, telefoon, enkele boeken, naslagwerken, en het veelgebruikte Groene boekje. Plus de bureaukalender die ik zelf heb gemaakt en die ik dagelijks gebruik. Ook liggen er formulieren om mijn uren bij te houden. Voor opdrachten schrijf ik die handmatig op. Op deze manier heb ik ze altijd bij de hand, ook als ik aan de telefoon zit. Ik bewaar die formulieren ook, zodat ik kan terugzoeken hoeveel uur ik aan iets heb besteed. Dat is handig voor nieuwe opdrachten. Digitaal houd ik ze alleen bij voor de boekhouding.

‘In de stalen ladekast van mijn vader liggen nu grote vellen papier en posters’

Op mijn werkkamer staat een stalen ladekast die van mijn vader is geweest. Hij was architect en bewaarde de bouwtekeningen in deze kast. Ik heb er nu grote vellen papier in liggen, zoals vellen aquarelpapier, posters en tekeningen. De helft van mijn kamer is slingerend papier en potjes met inkt en pigmentstoffen, bijvoorbeeld koffie en walnotenbastinkt. Die laatste maak ik van de bast van walnoten, liefst als ze al wat rotten. Je moet ze koken en dan heb je inkt. Heel donkerbruin, nog donkerder dan koffie. Koffie is helemaal niet zo donker als hij in de pot lijkt.

Ook rode wijn en roestwater zijn mooi voor illustraties. De kleuren van rode wijn en koffie matchen heel mooi op papier. Ik gebruik ook gewoon ecoline of autolakken. Het is maar net wat erbij past. Ik ben lang geleden gestart met deze manier van illustreren, decennia terug alweer. Ik weet niet eens meer precies hoe, maar waarschijnlijk is het begonnen met een knoeipartij. Op de Academie ben ik afgestudeerd als grafisch ontwerper met aardig wat illustratiewerk. Knoeien deed ik toen ook al, bijvoorbeeld met drukinkten. Expres iets laten mislukken op de drukpers en er dan een illustratie van maken.

‘Ik sta elke dag om half acht op, pak een kop koffie en een bammetje’

Mijn vorige werkgever is failliet gegaan omdat hij altijd maar wat deed. Hij kwam om half tien aanfietsen en zat dan eerst een tijd op Facebook. Zo doe ik het dus niet, heb ik besloten. Ik sta elke dag om half acht op, ga naar beneden en pak een kop koffie met een bammetje. Om acht uur kijk ik het journaal en daarna ga ik naar boven met een tweede beker koffie. Daar begin ik met mails lezen en beantwoorden en een hoop spam wegmikken. Dan ga ik aan de slag met een opdracht, vaak is dat het maken van een boek.

Bij een boekontwerp probeer ik van alles te bedenken. Ik maak veel aantekeningen en schrijf mijn gedachtegangen op. Die aantekeningen lees ik terug als ik het even niet meer weet. Het is echt een goudmijntje. Mijn werk gaat 24 uur per dag door. Ook ’s avonds of ‘s nachts kan ik iets bedenken en dat dan snel opschrijven. Naast mijn bed heb ik van die gele memoblokjes liggen en als ik iets bedenk, schrijf ik dat op. Op dat moment vind ik het vaak wereldschokkend maar in de ochtend kan het minder wereldschokkend zijn dan ik ’s nachts dacht. Een enkele keer komt er wel iets uit en dan ga ik hink-stap-sprong van de ene gedachte naar de andere. Dat gaat beter met collega’s en die mis ik op dit punt.

Het kan wel zo. Ook op de fiets kan ik iets zien dat me inspireert. Een raar vormpje door een gekke schaduw bijvoorbeeld. Dat probeer ik met mijn mobiel snel te fotograferen. Of ik maak een krabbeltje. Of ik onthoud het in mijn hoofd. Meestal kan ik er niets mee, maar soms wel. Het maakt veel troep maar ik gooi ook veel weg. De rommel op mijn werkplek is ontstaan door ruimtegebrek. Als ik voldoende inkomsten zou hebben, zou ik een grotere ruimte huren maar ik hoef niet per se buitenshuis te werken. Wel heb ik mijn vriendin moeten beloven dat ik ’s zondags niks doe. Dat ben ik nu aan het afleren. Het is een proces.

‘Vaak kan ik moeilijk stoppen op een dag’

Ik weet dat het niet goed is om een hele dag op mijn stoel te zitten en daarom ga ik na een paar uur naar beneden om nieuwe koffie halen. Dat is een kwestie van een paar minuten, dus dat schiet niet echt op. Ik moet er vaak toch even uit vanzelf en dan ga ik een uurtje lopen in de buurt. Door het park en een paar weilandjes. Tenzij het hoost. Ik moet me er echt toe zetten en kies er een goed moment voor, als iets net af is of tussen twee hoofdstukken. Jas aan en lopen.

Op het eind van de dag word ik meestal rond zes uur door mijn vriendin naar beneden geroepen omdat het eten bijna klaar is. Vaak moet ze een paar keer roepen. Ik wil nog gauw even dit, nog gauw even dat. Zoals gezegd: ik vind het moeilijk om te stoppen. ’s Avonds kijk ik wat tv of lees wat. Als ik alleen zou wonen, zou ik doorgaan met werken. Het is dan maar goed dat ik samenwoon, want mijn vriendin houdt me daarin tegen.

‘Een verwaarloosd terrein is een mooie plek om op ideetjes te komen’

Als ik iets graag doe, ga ik door. Ook als ik aan de slag ga in de tuin ben ik niet te stoppen. Half keuterboer ben ik en ik hoop zo te eindigen. Ergens op een aannemersterrein met een roestende Daf met kapotte banden achter het huis en een broedende kip erin, bouwpuin en een stapel stenen tussen de brandnetels. Achter de dijk waar ik woon ligt zo’n verwaarloosd terrein en dat is een mooie plek met veel vogels. Ik houd daar wel van, het is een goede plek om op ideetjes te komen. Zo’n rommelwerf bij mijn huis en werkplek zou wel ideaal zijn. Ik weet niet of je op hoge leeftijd nog achteraf moet gaan wonen. Het is ook wel goed om in de stad te wonen met een sigarenboer, boekwinkel en buurtsuper op de hoek.

Ik ben fan van Daniil Charms, een absurdist die in de oorlog is omgekomen in een instelling in Sint Petersburg. Hij is knettergek maar schreef prachtige literatuur. Daar hoop ik nog eens een boek van te maken. Het hoogst haalbare lijkt me om een literaire reeks te mogen maken voor een uitgeverij. Omslagen mooi strak in het gelid, een mooi formaat en mooi papier. Daar droom ik wel van.’

Vergelijkbare verhalen